Ethiek van het leven

To content | To menu | To search

Bedenkingen

Entries feed - Comments feed

Sunday 15 February 2009

De ironie van positieve discriminatie

Het was weer nieuws vandaag in België. De quota voor het aantal vrouwen in de Vlaamse Adviesraden is bereikt. Er zetelen nu meer dan eenderde vrouwen, in sommige raden zelfs 41%. En als vrouw moet ik dan denken, is dit nu goed nieuws?

 

Als vrouw mag ik dat denken ziet u. Wie het waagt dat als man te denken, is een seksist. Net zoals enkel een zwarte uit een arme buurt ‘nigger’ mag zeggen, mag enkel een vrouw woest reageren op vrouwvriendelijke maatregels zoals bovenstaande quota. Waarom dit zo is, zal me voor eeuwig ontgaan, maar zoals de zwarte komiek Chris Rock het zo mooi verwoordde: “Als het u stoort dat ik nigger mag zeggen, en u niet, wil ik best wisselen. U mag vanaf nu ‘nigger’ zeggen, als ik die 250.000 dollar dan krijg die u per maand verdient.” We leven in een maatschappij waarin de underdog nu eenmaal net iets meer mag. Nietzsche zou daar het een en ander over te zeggen hebben, maar daarover meer later.

En dat is het nu juist wat me stoort aan al die quota’s, die zogenaamde ‘positieve discriminatie’, die niet enkel vrouwen, maar ook gehandicapten en allochtonen, de kans moet geven om te doen wat ieder ander al gewoon doet. Want men vergeet dat men voor elke groep die men positief discrimineert (een prachtig eufemisme toch), er een andere groep negatief gediscrimineerd wordt. Namelijk de hard werkende persoon die nu net niet tot een minderheid behoort.

 

Vooral in de politiek is men er goed in. Partijen die stemlijsten uitbrengen volgens de regel één-vrouw-per-man, krijgen schouderklopjes van alle kanten. Onterecht vind ik. Want ik wil stemmen op een goede politicus/politica, en het kan me nu eens niets schelen van welk geslacht, huidskleur of gezondheidslevel die persoon is. Ik vind dat ik daarmee niemand discrimineer, ook niet die sportieve blanke veertiger, die er echt niks aan kan doen dat hij én man, én blank én gezond geboren is.

Ik heb burgerlijk (voor de Nederlanders: technisch) ingenieur gestudeerd, en laten we even duidelijk zijn, dat is een mannenrichting. Het is soms wel even moeilijk om je als vrouw in zo’n richting te bewijzen, en ja hoor, je moet wel eens wat meer doen dan de mannen om aanvaard te worden. Maar hoe denkt u dat de groep naar mij zou kijken, als er een quota zou zijn, die bepaalt dat er 30% vrouwelijke ingenieurs moeten afstuderen? Juist ja, als iemand die zijn diploma te danken heeft aan een vagina en een paar pronte borsten. Krijg daarna nog maar eens respect van je collega’s. Onbegonnen zaak lijkt mij dat.

 

Dus, waarde politiek correcte mensen, hou daar alsjeblieft mee op, met die positieve discriminatie. Zorg ervoor dat er niet gediscrimineerd wordt, dat je niet wordt afgewezen omdat je van een minderheid bent. Maar stop met te doen alsof een vrouw, een gehandicapte of een allochtoon niet hogerop kan geraken zonder uw zo goed bedoelde hulp. Want daarmee bevestigt u alleen maar waar u eigenlijk tegen aan het vechten bent: dat een vrouw minder goed aan politiek zou kunnen doen, een gehandicapte minder goed les kan geven, of een allochtoon een minder goede politieagent zou maken. Want positieve discriminatie blijft wat het woord zegt: discriminatie.

Tuesday 3 February 2009

Het belang van de etiquette

Etiquette. Het is, in mijn bescheiden mening, een ondergewaardeerde waarde geworden. Waar ik nog heb geleerd ‘U’ te zeggen tegen oudere mensen, een fooi te geven aan een ober en in welke volgorde en houding het bestek moet liggen naargelang of je de Belgische, Franse, of Duitse etiquette volgt (ja, je kunt ook te ver doorslaan) lijkt deze gewoonte meer op wrevel dan plezier te stoten.

Mijn leraar Nederlands trok punten af als ik ‘U’ met een hoofdletter schreef (‘U’ is dus een ‘u’ geworden), de meeste restaurants hun bestek ligt volgens de Franse etiquette (wij zijn hier toch in België?) en een ober die het eten voor me neersmijt, kan ik echt geen fooi geven.


Nochtans is etiquette niet zo wereldvreemd als het in sommige hun ogen lijkt. In het eerste boek over etiquette, zo leert mijn cursus sociologie mij, stond bij de elementaire regels dat je je neus niet mocht snuiten in je handen, je maaltijd in gezelschap met bestek diende te verorberen, en het geluid van een windje diende te onderdrukken. Ik denk dat vandaag de dag iedere ouder zijn kinderen dit leert. Maar toentertijd waren deze regels zo vreemd, dat ze in een boek moesten worden beschreven.


Heel de etiquette draait rond het begrip ‘respect’. Het zeggen van ‘u’ tegen iemand die ouder is al jezelf (of vrouw als jij man bent, of hoger in rang staat), zeker als die nog geen toestemming heeft gegeven om getutoyeerd te worden (wie kent die woord nog?), wordt zeker door de oudere generatie nog heel erg op prijs gesteld. Het zet ook een sfeer, die het moeilijker maakt om de ander te beledigen. Je krijgt gewoonweg veel meer gedaan, als je het beleeft inpakt.

Respect is natuurlijk niet hetzelfde als onderdanigheid. Al in het middelbaar ging ik naar leraren toe als die in hun poging hun gezag te bewaren, een leerling tot huilen toe hadden afgekraakt. Maar met ‘ik denk dat u hier te ver bent gegaan, leerling x is er volledig van van streek, zou u misschien eens met haar kunnen gaan praten?’ bereik je gewoon veel meer dan met ‘hey manneke, denk je nu echt dat je zo met ons kan omgaan? Zou je niet eens snel sorry gaan zeggen?’. Het lijkt zo evident, maar de gewoonte is er niet meer bij mijn generatie. Het gevolg: oudere mensen die bitter kankeren op ‘de jeugd van tegenwoordig’, leraren die hun gezag denken te moeten verdedigen door nog groffer te gaan doen dan hun leerlingen, en studenten die over hun professoren praten met angst, alsof het wezens zijn van een andere planeet.

Neem nu als voorbeeld voor wat verder doorgedreven etiquette een restaurant. Waar het aanleren van de houding van het bestek me minder belangrijk lijkt, is het toch gewoon aangenaam dat de ober wacht tot je klaar bent met de appetizer voor ze hun bestelling komen opnemen? En dat hij na een kwartiertje komt vragen of alles naar wens is, zorgt ervoor dat je op een vriendelijke en niet-offensieve manier kan vragen of je misschien meer dan één blaadje sla kan krijgen. Wat meestal wordt ingewilligd, en er dus voor zorgt dat noch jij met frustraties, noch het restaurant met een klant minder overblijft.


Laten we even duidelijk zijn, je kunt hier ook mee doorslaan. Eén van de herinneringen die me bijstaat uit mijn jeugd, speelt zich af tijdens een etentje in een vijfsterrenhotel. De ober, duidelijk net afgestudeerd, pakte de voorverwarmde borden uit de oven zonder handschoenen. Ondanks dat je duidelijk kon zien dat hij zich hieraan verbrande, ging hij zonder een kik te geven verder met bedienen, zonder handschoenen. Nadat de borden op hun plaats waren afgeleverd, ging hij achter onze tafel staan wachten tot we klaar waren met eten. Kijk, dat gaat voor mij dan het totaal voorbij aan het doel van etiquette, namelijk op een duidelijkere en respectvollere manier met elkaar omgaan.



Het zit hem in die kleine dingen. De mensen op straat goedendag zeggen, met die oude vrouw die elke dag de katten van de buurt voedert een praatje gaan maken, en de naam van de man van de krantenwinkel onthouden. Als je echt respect hebt voor de mensen rondom je, lijkt etiquette misschien overbodig. Maar laten we zeggen dat ze je een manier geven om te tonen dat de ander waardeert, zonder het te moeten uitspreken. Het is een beetje als het leren van de regels van het land voor je op vakantie gaat, misschien niet nodig, maar het maakt het leven gewoon dat klein beetje aangenamer.

Saturday 24 January 2009

Of het doel de middelen heiligt

Op de vraag of het doel de middelen heiligt, zullen veel mensen geneigd zijn een categorisch ‘neen’ te antwoorden. Folteren om de mensenrechten in Irak te herstellen, wat we gezien hebben onder Bush, is één van de vele voorbeelden die deze stelling lijken te onderschrijven. Maar zoals de logica voorschrijft, geldt ook hier dat een voorbeeld nog geen stelling bewijst. Een tegenvoorbeeld daarentegen bewijst wel dat de stelling niet algemeen geldig is.

 

Een van de dilemma’s die in deze tijd actueel zijn, gaat over of iemand een terrorist is, dan wel een vrijheidsstrijder. Waar we voor sommige strijders (ik gebruik dit woord hier neutraal, gelieve zelf te kijken onder welke categorie u hen klasseert, en dan ook ineens waarom) nog een bepaalde sympathie kunnen voelen, zoals de Tsjetsjenen of de Palestijnen, ligt het bij andere iets moeilijker. Neemt u nu Al Qaida, of de Taliban.

 

Een voorbeeld waar ik mee geconfronteerd werd, was de verzetsachtergrond van mijn grootvader. Als held gedecoreerd, kon hij met passie vertellen over zijn tijd als jonge man, toen hij met gevaar voor eigen leven het de Duitsers tot een kleine hel probeerde te maken. Het opblazen van een politiekantoor, het ontmaskeren van een mogelijke spion – u kunt wel raden wat er met de man in kwestie is gebeurd-, het klonk allemaal als heldendaden in de mijn oren als klein meisje. Maar toen ik ouder werd, stelde ik me meer vragen. Wie gaf hem het recht aanklager, rechter en beul te spelen? De soldaten in dat politiekantoor waren opgeroepen door Hitler, en hadden waarschijnlijk geen andere keus gehad dan hun dienstplicht te vervullen. Misschien waren het doodnormale jonge mannen, die veel liever gewoon thuis hadden gezeten.

Later leerde ik mijn grootvader beter kennen als een gedreven en gepassioneerde zakenman, die communicatieapparatuur verkocht aan ontwikkelingslanden. Een nobel streven, gericht op het verbeteren van het welzijn van de plaatselijke bevolking. Want wat heb je aan een hospitaal als je de ziekenwagen niet kan oproepen, of aan een informatiepunt als niemand wist dat het er was? Maar ook hier zag ik het kantje dat hem als jonge man zo’n succesvolle strijder had gemaakt: geen enkele scrupules om in zee te gaan met dictators, het verwaarlozen van vrouw en gezin (emotioneel en financieel) als hij weer is vier maanden naar Afrika ging, en zonder moeite kiezen voor een goedkope arbeidskracht boven de vriend die samen met hem de zaak had groot gemaakt.

Zie hem echter niet verkeerderlijk als een koude berekende man, het was juist zijn passie voor zijn werk die hem die beslissingen deed maken.

 

Ik had het er zeer moeilijk mee, en vond zijn keuzes dan ook verkeerd. Hoe nobel het doel ook is, het geeft je geen vrijgeleide om alle middelen aan te wenden. Of toch?

 

Stelt u zich het probleem wat dichter bij uzelf voor. Een geliefde is dodelijk ziek, en kan alleen gered worden door een transplantatie. Maar het orgaan in kwestie is niet beschikbaar, en de wachtlijst is zo lang, dat u hem of haar zeker zal verliezen voor het orgaan er is. Zou u het orgaan op de zwarte mart kopen, in de wetenschap dat er misschien iemand voor vermoord is? En zou u het geld voor de levensreddende operatie, als u zelf geen enkele manier had om het bij elkaar te krijgen, iemand anders met geweld of bedrog afhandig maken? Ik durf eerlijk te zeggen dat het geen absolute neen is in mijn geval.

 

Ik besef wel dat dit een extreem voorbeeld is, maar mijn geliefde is voor mij waarschijnlijk even belangrijk als Allah’s wet voor een Talibanstrijder, en als ik in de ogen van mijn grootvader keek las ik daar dat zijn zaak voor hem veel belangrijker was dan wie dan ook. En als ik niet met mijn hand op mijn hart durf te beweren dat ik niet al mijn principes opzij zou zetten voor mijn mans leven, wie ben ik dan om te beweren dat iemand anders geen ander doel kan hebben dat voor hem de middelen heiligt? Kunt u met eerlijkheid zeggen dat er niets of niemand belangrijk genoeg is om te zondigen tegen u principes? En indien niet, is het dan nog wel correct om te zeggen dat het doel de middelen nooit heiligt…

- page 1 of 6